Drama in de polder
Vier jaar geleden had ze in de krant gestaan. Er waren nogal wat brieven om ingezonden, maar vandaag was de dag dat ze gelijk kreeg. Alleen de polder zou volgens het waterschap onderlopen, maar de autoriteiten gaven natuurlijk alleen toe wat ze echt niet meer konden ontkennen. Nee, vannacht zou Niburu passeren en zou de hele wereld verzwolgen worden in een vloedgolf van ongekende proporties. Ze was verdrietig dat haar zoontje geen plek met haar kon delen op het vlot, maar de ouderschapsregeling die ze na haar scheiding had getroffen had er in voorzien dat hij de ene week bij haar, en de andere week bij zijn vader zou zijn. De week voor kerst was dit jaar voor hem, en ze was zo dom geweest om niet te bedenken dat de eenentwintigste december daar bij in zou zitten. Drie maanden geleden, tijdens het spoeddebat over de staat van de dijken, na de kleine doorbraak aan de Waal waarbij alleen een kudde oerossen het leven had moeten laten, had ze zich beseft dat haar zoontje er op de dag dat de wereld verging niet bij haar zou zijn. Op allerlei manieren had ze geprobeerd om van week te wisselen met haar ex, maar die had al een mooie kerst-trip geregeld en viel niet meer om te praten. Hij geloofde er ook niet meer in dat de wereld vannacht zou verdrinken. Dat was, drie jaar geleden, ook de reden van hun scheiding geworden. Zij had zich voor 15.000 euro willen inkopen in een groep die zich in 2012 op de Tafelberg, bij Kaapstad, zou bevinden, in de hoop daar hoog genoeg te zitten om droge voeten te houden. Hij had daar niets voor gevoeld, en het juridische gevecht om de scheiding had haar met te weinig reserves achtergelaten om zich nog te kunnen inkopen. Later was de hoeveelheid geld die daar voor nodig was zelfs nog groter geworden. Uiteindelijk verliet ze zich maar op het al aangeschafte reddingsvlot, de pot groene zeep en de klauwhamer die zij en haar man al hadden aangeschaft. Die hadden na de verhuizing, nadat ze weer alleen was komen te wonen, steeds trouw bij het zolderraam gereed gestaan. De laatste week waren daar een jerrycan water, een EHBO-kist en een paar zelf samengestelde noodrantsoenen bij gekomen. Ze had haar warmste kleren over elkaar aan. De winter doorkomen was belangrijk, ze zou wel zien wat ze komende zomer zou dragen als die zich aandiende. Haar wandelschoenen knelden haar wreef, maar dat was omdat ze ze nog niet fatsoenlijk had kunnen inlopen. Wat waren die dingen loeizwaar! Voorzichtig opende ze het dakraam. De wind liet haar wangen bijna direct opgloeien. Ze knipperde een paar keer met haar ogen, controleerde nog 1 keer de knopen van het touw, de ene kant aan het vlot, de andere kant aan de zolderbalken. Het zakmes in haar borstzak, het andere mes, uit de keuken, in een theedoek tussen haar riem. Ze trok en duwde de kist waar het vlot in zat over het kozijn heen, trok de zekeringen los en duwde het naar beneden in een geraas van brekende dakpannen. Het plonsde halverwege de eerste verdieping, voor het raam van de slaapkamer van haar zoontje, in het water van de nu half ondergelopen polder. Het touw was niet lang genoeg, de punt van het vlot waar ze het vastgeknoopt had verhief zich zeker nog een meter boven het wateroppervlak. Daar had ze niet op gerekend. Een laatste keer nog controleerde ze alles wat ze mee zou nemen het raam uit. Toen hees ze de rugzak op haar rug. Die was best zwaar. Ze had het de afgelopen weken een paar keer uitgeprobeerd. Zelfs nadat ze er allerlei spullen uit had gehaald omdat hij te zwaar was bleef het nog steeds onmogelijk er fatsoenlijk mee te wandelen. Ze was wel zo verstandig geweest om op het klimrekje verderop in de straat uit te proberen of ze het tenminste vertrouwde er een stukje mee het dak af te klimmen. Dat zou wel gaan. Voorzichtig zette ze haar rechtervoet buiten het raam, op een daklat die bloot was komen te liggen doordat het vlot een paar dakpannen had meegesleurd in zijn gecontroleerde val. Ze greep het kozijn vast, draaide wat met haar voet en stond toen met alleen nog haar neus in huis. Langzaam plaatste ze haar linkervoet naast de rechtse. Toen zocht ze met haar rechter naar wat steun, ietsje lager. Het dak was wel een beetje nat en glad, koud ook, het kwam door haar handschoenen heen. Nog een stapje lager, en ze kreeg het te pakken. Zo klauterde ze naar de dakgoot. Ze draaide zich om, keek naar de punt van het vlot, een halve meter lager, en naar de glijbaan die zich naar het verre eind van het vlot vormde. Ze ademde diep in. En nog eens. En nog eens. Nog 1 keer, en ze sloeg, zittend op de dakrand, haar beide benen over de punt van het vlot, waarbij ze zich met beide armen afzette tegen het dak. Haar rugzak stootte tegen de punt van het vlot maar onderbrak haar roetsjpartij naar de andere kant van het vlot niet. Haar hart bonkte. Ze hijgde, draaide zich op haar buik en maakte zich lang naar de andere kant van het vlot. Ze trok het keukenmes uit haar riem en zaagde met een paar halen het touw door dat haar aan het huis verbond. Met een plons viel de punt van het vlot in het water. Door de schok verloor ze het mes. Het volgende punt dat nu aan de orde was was de groene zeep. Ze deed 1 schouderband van haar rugzak af, opende het zijvak waarin ze de eerste pot had zitten en gooide de rugzak weer om. Ze draaide de deksel los en nam een flinke klodder en begon daarmee de randen van het vlot in te smeren. Geen drenkeling zou er zo grip op krijgen. De pot was leeg toen ze bijna rond was. Ze sloeg weer de linkerschouderband van haar rugzak af, worstelde door de glibberige handschoenen met de rits van het zijvak maar wist uiteindelijk haar tweede pot groene zeep te in haar handen te krijgen. Het was maar goed dat ze er toch nog maar eentje bij had gekocht, anders was ze nu niet helemaal veilig geweest. Ze pakte de bodem met haar linkerhand vast, en greep de deksel met haar rechter. Toen ze kracht zette glipte de pot uit haar handen en stuiterde op de rand van het vlot. Even nog balanceerde ze precair maar toen begon ze weg te glijden naar het water. Met een paar snelle krabbelbewegingen deed ze een greep naar de wegglijdende pot. Ze zette zich af met haar benen, er op rekenend dat ze zichzelf op de rand zou kunnen stuiten, maar de groene zeep deed haar werk en zo gleed ze, eerst haar hoofd, toen haar romp en toen haar benen, over de rand en ging ze kopje onder. Door de zware rugzak vond ze niet direct het oppervlak terug. Haar kleren vulden zich met het water, ze brak het oppervlak en ademde naar lucht. Het vlot lag drie, vier, vijf meter verder. Met een paar moeizame slagen kwam ze langszij. Woest probeerde ze vat te krijgen op de rand. De groene zeep deed andermaal zijn werk. Nog een keer. Nog een keer. Nog een keer. Haar benen werden moe. Ze moest die rugzak kwijt. In het vlot. Ze kreeg hem af, tilde hem boven het water uit en drukte hem op de rand. Dat ging niet. Nog eens. Nu leek het beter te gaan, maar weer verloor ze haar grip, deed de groene zeep haar werk en zag ze de rugzak onder gaan. Wanhopig nu probeerde ze zich aan het vlot beet te pakken. Het lukte niet! Het gewicht van het koude water trok nu de warmte ook nog eens uit haar lijf. Ze greep, bleef grijpen. De schoenen vermoeiden haar benen, ze viel stil. Nog bleef ze grijpen, nog trapte ze met haar benen. Haar kuiten verkrampten, haar dijen, haar billen. Het werd koud, erg koud onder haar oksels. Ze proefde het water op haar lippen. Een windvlaag streek over haar natte gezicht. Over het water sloeg een kerkklok twaalf.